Interview

Nederlands Dagblad, 2 juli 2011

Strip over Jezus verovert de wereld

door Gerard ter Horst

Houten - Willem de Vink begon er drie keer aan, en zette de derde keer door: op 31-jarige leeftijd tekende hij een strip over het leven van Jezus, zoals beschreven in de vier evangeliën. Jezus Messias verscheen in 1993. De Vink had een droom, waarmee hij bij het tekenen en schrijven al rekening hield: dat het in meer talen en culturen zou uitkomen.

‘Een strip is wereldtaal’, vertelt hij in zijn ruime tekenstudio in Houten, die een opgeruimde indruk maakt. ‘Dit boek moest over de hele wereld gebruikt kunnen worden.’ Dat moest op voorhand gevolgen hebben voor de stijl, concludeerde hij uit studie. ‘Ik heb bewust voor een uitgeklede stijl gekozen, hoewel dat niet per se mijn persoonlijke voorkeur heeft: strakke lijnen, geen details die afleiden, geen expressieve illustraties.’

Er zijn culturen, legt De Vink uit, waarin sprake is van “beeldanalfabetisme”: niet ieder beeld wordt overal verstaan, een Westerse strip hoeft niet tot een Afrikaanse lezer door te dringen. Juist dat moest worden voorkomen, vond De Vink. Dus koos hij voor een universele, strakke stijl.

En dat niet alleen. Jezus kent in de strip een donkere, Arabische huid. En hij draagt steevast een rood gewaad. Rood staat symbool voor koninklijkheid, legt De Vink uit. Een Nederlandse lezer zou dat mogelijk ontgaan, een Arabische zeker niet.

Aan zijn rechterhand knikt Geerhard Kloppenburg af en toe instemmend. Hij werkt voor Wycliffe Bijbelvertalers en coördineerde de voorbereiding voor het drukken van dertien nieuwe edities: acht vertalingen voor de West-Afrikaanse landen Togo en Benin. Die verschijnen deze maand.

Voeg daar nieuwe edities voor Suriname en Curaçao bij, en het aantal vertalingen van Jezus Messias komt uit op 56 - inclusief het Fries en de dialecten Limburgs en Zeeuws.

Zo groeide De Vinks stripboek in nog geen twintig jaar uit tot een internationale bestseller: de totale oplage gaat naar schatting over de miljoen, met grote oplages van elk 300.000 in het Nederlands, Frans en Russisch.

Bij de acht nieuwe vertalingen voor taalgroepen in Togo en Benin gaat het om relatief kleine aantallen, vertelt Kloppenburg. Van 500 tot 15.000 exemplaren.

In Benin en Togo wordt de strip uitgebracht in combinatie met een Bijbelstudieboekje met 34 lessen, dat Willem de Vink naderhand bij de strip schreef. ‘Dat boekje wordt bijvoorbeeld door zondagsschoolleiders in Benin gebruikt’, vertelt Kloppenburg. ‘Ze geven daarmee de de kinderen een jaar lang Bijbelles aan de hand van het stripboek.’ Hij haalt er recente statistieken bij: in één regio volgden 3460 kinderen afgelopen jaar Bijbelles aan de hand van het stripboek in hun eigen taal.’

Het begon begin jaren negentig ‘zonder plan maar met een visie’, vertelt De Vink. Twee eerdere pogingen strandden, toen hij 17 en 24 jaar was, al koestert hij die eerdere schetsen. ‘Toen ik 31 was, was ik volwassen genoeg om de mouwen op te stropen.’ Hij zegde zijn baan in de reclame op en werkte anderhalf jaar aan de strip. Zijn drijfveer: liefde voor Jezus, een rode draad voor hem als tekenaar, schrijver en spreker. Oud-collega’s lazen mee en gaven advies.

Met het resultaat ging hij bij uitgevers langs, maar die zagen er geen heil in. ‘Leuk idee, maar het verkoopt niet’, kreeg hij te horen. Of het advies de strip in meerdere delen uit te brengen, waar De Vink zelf niets voor voelde.

Uiteindelijk besloot hij de rechten in eigen hand te houden, maar deze kosteloos ter beschikking te stellen aan derden: Agapè-uitgeverij Proclama, onder leiding van Oswin Ramaker, tekende voor de uitgave in het Nederlands omdat de strip goed paste bij de befaamde Jezus-film van dezelfde organisatie; Stichting Antwoord van Dorcas verzorgde een Russische editie.

Sinds 2005 gebruikt het internationale Wycliffe de strip binnen trajecten waarin lezers een lees- en Bijbelcultuur worden binnengeleid. Want ‘met alleen het vertalen van de Bijbel ben je er niet’, zegt Kloppenburg. De kunst is een cultuur te creëren waarin het lezen van de Bijbel een natuurlijker plaats krijgt. Een strip helpt daar enorm bij: het is laagdrempelig en maakt het verhaal ‘aanschouwelijk’.

En dat was precies de droom van De Vink. Al leidden de vele vertalingen soms wel tot kleine aanpassingen in beeld en tekst. De Vink: ‘Toen aan een Arabische editie voor het Midden-Oosten werd gewerkt, werd mij gevraagd Jezus’ gewaden wat langer te maken. Blote knieën konden echt niet door de beugel, dat deed afbreuk aan zijn heiligheid.’ Hij paste daarop de gewaden aan.

Toen rooms-katholieke lezers in beeld kwamen, paste hij een van de laatste passages in het boek aan. Daarop is te zien hoe twee handen het brood breken. Aanvankelijk vielen daarbij kruimels naar beneden - iets dat bij de eucharistie juist voorkomen wordt om de heiligheid van het brood. ‘Die kruimels moesten weg.’

Soms, bekent De Vink, speelt hij met de gedachte een nieuwe, luxe-uitgave van Jezus Messias samen te stellen. Maar meer dan een idee is het nog niet. ‘Dan doe ik het op de computer. De oorspronkelijke strip heb ik nog volledig met de hand getekend.’